Main content

Doelgroepen in de gehandicaptenzorg

Algemeen 

In de gehandicaptenzorg worden mensen met een beperking ondersteund. De beperking kan verstandelijk én lichamelijk zijn. Er zijn ook vaak bijkomende problemen zoals stoornissen, aandoeningen, gedragsproblematiek, verslaving, schuldproblemen en problemen in de thuissituatie. De ondersteuning verschilt daarom per cliënt.

Volwassenen met een verstandelijke beperking (VB)

Mensen met een IQ van 70 of lager noemen we verstandelijk beperkt (VB). We delen hen in in licht (LVB, IQ  tussen 50 en 70), matig (MEVB, IQ tussen 35 en 50) en ernstig (EVB, IQ lager dan 35).

  • Licht Verstandelijk Beperkt (LVB)

Mensen die Licht Verstandelijk Beperkt (LVB) zijn, hebben de behoefte een leven te leiden zoals iedereen: een eigen huis, een baan, zelf keuzes maken. Daar waar knelpunten zijn, biedt een begeleider hulp.

Bij sommige cliënten is ook sprake van bijkomende problematiek, dit wordt ook wel LVB+ genoemd. Juist de combinatie van beperkingen en problemen leidt bij deze doelgroep vaak tot (ernstige) gedragsproblemen. Kenmerkend voor hen is dat ze weinig inzicht in hun eigen problematiek hebben. Het is voor jou én de cliënt de opdracht om tot leervragen en samenwerking te komen. 

  • Matige tot ernstige verstandelijke beperking (MEVB/EVB)

Mensen met een matige tot ernstige verstandelijke beperking hebben moeite de wereld om zich heen te begrijpen. Zij hebben de mensen uit hun omgeving hard nodig, om de opgedane ervaringen te ordenen en zich veilig te voelen. Ze hebben de ruimte nodig om in een vertrouwde omgeving zichzelf te kunnen zijn.

De ontwikkelingsleeftijd van mensen met een matige tot ernstige verstandelijke beperking ligt tussen 2 en 6 jaar. Zij kampen regelmatig met bijkomende lichamelijke en medische problemen. Het is niet eenvoudig de signalen van deze mensen te herkennen. Wat gaat precies om in het hoofd van de cliënt? Hoe ervaart hij of zij de wereld om zich heen? En wat kun je als hulpverlener of verzorger doen om hem of haar een prettig leven te bieden?

Matige tot ernstige verstandelijke beperkingen zijn vaak, in tegenstelling tot een licht verstandelijke beperking, meer en beter zichtbaar. 

Volwassenen met niet aangeboren hersenletsel (NAH)

Niet aangeboren hersenletsel is een beschadiging van de hersenen die na de geboorte is ontstaan. Alle mensen die hiermee te maken hebben kennen een leven voor en een leven na de hersenbeschadiging. Die twee verschillen vaak enorm.

Mensen met niet aangeboren hersenletsel kunnen problemen hebben op veel gebieden: verminderd zicht of gehoor, moeilijker kunnen bewegen, minder kunnen doen of onthouden of psychologisch (gedrag, emoties, verandering van persoonlijkheid). De gevolgen verschillen van persoon tot persoon. Dat heeft deels te maken met de plaats van de beschadiging in de hersenen, de ernst van de beschadigingen en de leeftijd waarop de persoon de beschadiging heeft opgelopen. 

Ook de persoonlijkheid vóór het hersenletsel en de omgeving waarin iemand functioneert kunnen een rol spelen. 

Het leven na de hersenbeschadiging wordt nooit meer zoals ervoor. Het levenspatroon, de relaties, het werk, de hobby’s en de verwachtingen voor de toekomst die mensen vóór het hersenletsel hebben, kunnen in één klap in duigen vallen of in een ander licht komen te staan.

Volwassenen met  ernstige meervoudige beperkingen (EMB)

De groep mensen met ernstige meervoudige beperkingen (EMB) is moeilijk te beschrijven omdat er onderling zoveel verschillen zijn. Vaak gaat het om mensen die naast ernstige verstandelijke beperkingen ook ernstige motorische beperkingen hebben. Hierdoor kunnenze bijvoorbeeld niet zelfstandig of zonder hulpmiddelen lopen. Ook hebben de meesten van hen ernstige zintuiglijke beperkingen waarbij ook de prikkelverwerking in de hersenen kan zijn beschadigd. Soms zijn ze doof en/of blind. Ze kunnen beperkt informatie begrijpen en communiceren via geluiden, houding, spierspanning en hun gezichtsuitdrukking.

Door de motorische beperkingen kunnen mensen met EMB hun lichaam maar heel beperkt bewegen en zijn ze vaak volledig afhankelijk van een ander.

Kinderen, jongeren en jongvolwassenen met een of meerdere beperkingen

Kinderen, jongeren en jongvolwassenen in de gehandicaptenzorg vormen een grote groep. De ondersteuning verschilt per leeftijdsgroep. Zo gaat het bij jonge kinderen vooral om het vaststellen van wat er aan de hand is en welke hulp nodig is. Bij pubers en jongvolwassenen gaat het vooral om ondersteuning bij het meedoen in de samenleving.

Ouders/verzorgers zijn belangrijk

Een kind heeft bescherming, veiligheid en verzorging nodig om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Bij het ondersteunen van kinderen en jongeren gaan ontwikkeling en opvoeding dan ook hand in hand. De opvoeding is de taak van de ouders/verzorgers (hierna noemen we hen ouders). Daarom is samenwerking tussen begeleiders en ouders essentieel voor de ondersteuning van het kind. De ouders zijn een belangrijke bron van informatie bij het in beeld krijgen van de ondersteuningsvraag en de mogelijkheden van het kind. Samenwerken met ouders zorgt er ook voor dat de kinderen, jongeren en jongvolwassenen zo min mogelijk afhankelijk worden van de behandelaren. Soms hebben de ouders zelf een (verstandelijke) beperking of is de thuisomgeving niet veilig. Dan is opname noodzakelijk.

Volwassenen met een autisme spectrum stoornis (ASS)

Mensen met autisme hebben een andere prikkel- en informatieverwerking in de hersenen dan mensen zonder autisme. Wat iemand met autisme hoort, ziet, ruikt etc.,verwerken ze vaak op een andere manier dan iemand zonder autisme. Mensen met autisme hebben daardoor moeite om hun omgeving en de mensen om hen heen te begrijpen. Zij voelen bijvoorbeeld soms niet goed aan wat anderen van hen verwachtenof wat ‘normaal’ is om te doen. Hierdoor gedragen zij zich soms anders, en worden ze vaak niet begrepen door hun familie, klasgenoten of collega’s. Autisme zie je niet aan iemands uiterlijk. Je merkt het vaak wel aan het gedrag. Met autisme word je geboren, het wordt niet veroorzaakt door de opvoeding.

Er zijn grote verschillen tussen mensen met autisme en de manier waarop dit hun leven beïnvloedt.

Het is voor mensen met autisme moeilijk om zich te concentreren op verschillende doelen, snel te plannen, prioriteiten te stellen en bij te sturen bij veranderingen. Ze hebben moeite met doelgericht handelen in wisselende omgevingen. Als er ook sprake is van een verstandelijke beperkingdan wordt dit alleen maar moeilijker. Mensen met autisme hebben vaak problemen met het aansturen van hun eigen gedrag: wat moet ik eerst doen en wat daarna? Mensen met autisme zijn vaak star in hun planning. Ze moeten veel meer moeite doen om activiteiten te plannen.

Volwassenen met een zintuiglijke beperking (ZG)

We kunnen drie hoofdgroepen onderscheiden van mensen met een zintuiglijke beperking:

• mensen met een visuele beperking;

• mensen met een auditieve beperking;

• mensen met een visuele èn auditieve beperking (mensen met doofblindheid).

Bij een verstandelijke beperking gecombineerd met een visuele en/of auditieve beperking spreken we van een meervoudige beperking. Deze groep heeft meer kans op problemen met het deelnemen aan het maatschappelijk leven (participatie) en het handelen (activiteiten). Bij een deel van de ZG-cliënten is sprake van bijkomende stoornissen en/of problemen, zoals autisme of gedragsproblematiek.

Een zintuiglijke beperking heeft grote impact op de totale ontwikkeling. Hierdoor kan iemand met een zintuiglijke beperking problemen tegenkomen op alle gebieden van het functioneren. Vooral op het vlak van (de ontwikkeling van) communicatie, en voor auditief beperkten, ook op het gebied van spraak en taal. Bij mensen met een zintuiglijke beperking bestaat een grotere kans op problemen op de volgende gebieden:

- informatie krijgen en verwerken

- mobiliteit, bijvoorbeeld vervoer

- zichzelf redden in de maatschappij

- bewegen en lichaamshouding

- ontwikkeling van het denkvermogen

- sociaal emotionele ontwikkeling en gedrag.

Mensen met doofblindheid krijgen doofblind-specifieke ondersteuning om mee te kunnen doen. De begeleiding is complexer dan bij mensen met een enkelvoudige beperking. Mensen met doofblindheid kunnen de wereld als onveilig en onvoorspelbaar beleven. Dat maakt hen soms kwetsbaar en sterk afhankelijk van de begeleider voor het opdoen van ervaringen.

Er zijn grote verschillen tussen mensen die op latere leeftijd doofblind worden of waarbij het is aangeboren. Zo kaner sprake zijn van een zeer basic niveau van functioneren (ook op sociaal-emotioneel gebied).Dit is afhankelijk van het behaalde ontwikkelingsniveau voordat de handicap zich ontwikkelde.

Naast de hiervoor beschreven groepen, bestaat er de groep mensen met ernstige spraak- en taalmoeilijkheden. Ernstige spraak- en taalmoeilijkheden (ESM) zijn ontwikkelingsstoornissen die zich bij (jonge) kinderen kunnen manifesteren.

Ouderen

De term ‘ouderen of senioren’ is gekozen om aan te geven dat het proces van ouder worden van cliënten uitdagingen geeft. Cliënten komen in een andere levensfase en de kans op ouderdomsverschijnselen (in brede zin) neemt toe. Om aan te geven bij welke cliënten sprake is van een verhoogde kans op ouderdomsverschijnselen, worden vaak leeftijd in combinatie met de aard en ernst van de beperkingen gebruikt als criteria. De meest voorkomende indeling is als volgt:

• Bij mensen met een matige verstandelijke beperking wordt de grens voor ouder worden op 50 jaar gesteld.

• Bij mensen met het syndroom van Down en mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking begint het verouderingsproces eerder, namelijk rond 40 jaar.

• Bij (zeer) licht verstandelijk gehandicapten begint de veroudering rond de leeftijd van 65 jaar. Het verouderingsproces bij hen lijkt veel op dat van mensen zonder een verstandelijke beperking.

Ouderen in de gehandicaptenzorg vormen een zeer divers samengestelde cliëntgroep.